Er is een hardnekkig idee
dat oorlogen gaan over ideologie, religie,
grondstoffen, invloedssferen
– u kent het rijtje.
Lekker ingewikkeld, lekker academisch.
Goed voor conferenties en dikke rapporten
waar niemand doorheen komt.
Maar soms denk ik:
wat als het allemaal
een stuk ordinairder is?

Wat als we gewoon kijken
naar een stel oudere heren met macht
en een naderende einddatum?

Spreuken 18:6
zegt het eigenlijk al genadeloos simpel:
De woorden van een dwaas zaaien tweedracht,
wat hij zegt, leidt tot een vechtpartij.
Vrij vertaald naar vandaag:
sommige leiders praten zichzelf
zo diep de ellende in
dat er vanzelf geweld volgt.
Nou, zet daar een kernarsenaal naast
en je hebt geopolitiek anno nu.

We doen in Nederland graag
alsof we geopolitiek begrijpen.
We gooien termen
rond als “geo-ideologisch”
en “multipolaire wereldorde”
en voelen ons dan even heel volwassen.
Ondertussen vliegen de raketten
ons om de oren
en blijkt dat overtuigingen
– religieus, ideologisch –
inderdaad een rol spelen.
Verrassing.
Maar dat is niet het hele verhaal.

Geschiedenis is geen Netflix-serie
met één duidelijke verhaallijn.
Geen “dit is de oorzaak, dit is de slechterik, klaar”.
Dus waarom blijven we doen alsof dat wel zo is?

Misschien omdat de echte verklaring ongemakkelijk is.

Misschien omdat het gênant is
om toe te geven dat oorlog
soms gewoon voortkomt uit gekrenkte ego’s.
Uit mannen die hun Wikipedia-pagina
nog even willen oppoetsen voordat het doek valt.

De één wil een fout uit het verleden rechtzetten.
De ander wil wraak nemen
– voor zichzelf, of voor papa.
Weer een ander
wil gewoon een monument.
Geen standbeeld van brons,
maar een conflict van duizenden doden.
Lekker permanent.
Lekker zichtbaar in de geschiedenisboeken.

“Legacy leadership”, heet dat dan chic.
In bedrijven betekent het
dat je een inspirerend verhaal achterlaat
en een koffiemok
met je naam erop in de kantine.
In de wereldpolitiek
betekent het:
een regio in brand steken
zodat jouw naam blijft hangen.

En wij maar denken dat het gaat over strategie.

Kijk naar hoe er gepraat wordt.
Over “doelwitten”, “boodschappen”, “historische correcties”.
Het klinkt allemaal alsof het om beleid gaat.
Maar luister iets beter en je hoort vooral:
trots, rancune, bewijsdrang.
Kinderachtige motieven,
verpakt in staatsmansretoriek.

En dan heb je nog de moderne variant:
leiders die tegelijkertijd oorlog voeren
én hun eigen werkelijkheid kneden.
Vandaag bombarderen,
morgen roepen
dat er “productieve gesprekken” zijn.
Niet omdat het waar is,
maar omdat het lekker klinkt.
Truthiness met raketten.

De markten kalmeren,
de achterban tevreden,
de tegenstander in verwarring.
En als het niet werkt?
Ach.
Dan bombarderen we gewoon lekker door.
Ook dat past in het narratief.

Het wrange is:
systemen corrigeren dit nauwelijks nog.
Macht concentreert zich,
tegenspraak verdampt (soms onder druk),
en persoonlijke obsessies worden beleid.
En zelfs als zo’n leider verdwijnt,
staat de volgende al klaar
– vaak nog bozer, nog radicaler.
Alsof wraak een estafette is.

Dus ja,
misschien moeten we oorlog
niet alleen analyseren
met kaarten en theorieën,
maar ook met een spiegel
en een beetje cynisme.

Want zolang wereldleiders
hun nalatenschap
verwarren met hun gelijk,
blijft Spreuken 18:6 pijnlijk actueel.

Alleen zijn het deze keer
geen woorden die twist brengen.

Het zijn bommen.

 

Er wordt weer gebeden voor oorlog.
Hardop.
Met Bijbelcitaten
en alles erop en eraan.
Alsof kogels ineens heiliger worden
als je er een psalm overheen giet.

De Amerikaanse minister van Oorlog, Pete Hegseth,
citeert doodleuk Psalm 144:
God die je handen traint voor de strijd.
Mooi beeld, zou je zeggen.
Tot je beseft dat die “training” neerkomt
op bommen boven Teheran.
En alsof dat nog niet genoeg is,
eindigt hij met een gebed
om “volledige overwinning”.
God als militaire adviseur.
Handig.
‘Praise the Lord and pass the ammunition’

En daar blijft het niet bij.
Soldaten klagen dat hun commandanten
deze oorlog verkopen als “Gods plan”.
Serieus.
Alsof er ergens
een hemelse PowerPoint rondgaat met:
Slide 3: Iran platleggen.
En natuurlijk komt Donald Trump
ook langs als “door Jezus gezalfd”.
Je verzint het niet,
maar blijkbaar
hoeft dat ook niet meer.

Kijk, religieuze taal in oorlog is niet nieuw.
George W. Bush
had het ook over God
die hem Irak in stuurde.
Barack Obama
bad voor gesneuvelden.
Maar wat er nu gebeurt,
is een tandje heftiger:
hier wordt buitenlands beleid
gewoon verpakt
als een soort eindtijdscript.

En Hegseth zelf?
Die loopt rond met kruistocht-tatoeages.
“Deus vult” — God wil het.
Dat riepen ze ook toen ze in de Middeleeuwen
halve continenten afslachtten.
Geschiedenislesje gemist, blijkbaar.
Of erger: bewust overgeslagen.

En dan heb je nog de Amerikaanse ambassadeur in Israël
die praat over “bijbelse grenzen”.
Van de Nijl tot de Eufraat.
Dat is geen geopolitiek meer,
dat is een landkaart
uit een oud zondagsschoolboekje.

Ondertussen doet Iran vrolijk mee
aan dezelfde religieuze escalatie.
Daar draait alles
om de terugkeer van de Mahdi.
Apocalyps als strategie.
De vijand verslaan
is niet alleen winst,
het is een stap
richting het einde der tijden.
De islamitische revolutionaire garde
ziet zichzelf letterlijk als een religieus leger.

Dus wat krijg je?
Twee kampen
die allebei denken
dat God aan hun kant staat.
Spoiler:
dat is historisch gezien
zelden een recept
voor terughoudendheid.

En dan Israël.
Premier Benjamin Netanyahu
die militaire operaties
“De brul van de leeuw” noemt.
Bijbelverzen erbij,
bloed en prooi inbegrepen.
Klinkt stoer.
Is het ook.
Maar het maakt van oorlog iets mythisch.
Iets onvermijdelijks.
En vooral:
iets wat je niet meer hoeft te bevragen.

Dat is misschien nog wel het gevaarlijkste.
Zodra oorlog een religieus verhaal wordt,
verdwijnen de remmen.
Doden zijn geen slachtoffers meer,
maar offers.
Twijfel wordt zwakte.
En vrede?
Dat is dan ineens
verraad aan een hoger plan.

Iedereen in dit conflict
zegt in feite hetzelfde:
wij zijn goed, zij zijn kwaad,
en God staat achter ons.
Dat is geen analyse.
Dat is propaganda
met een corona.

Misschien is het tijd
om God er even buiten te laten.
Gewoon, ouderwets.
Zodat we weer
kunnen zien wat dit echt is:
mensen die andere mensen doden,
en daar een heilig sausje
overheen gooien
om het beter te laten smaken.

Want oorlog blijft oorlog.
Ook als je ervoor bidt.

 

Als je aan passie-muziek denkt,
zou je snel kunnen denken aan verdriet.
Maar bij Johann Sebastian Bach ligt dat anders.
Van de vele Passievertolkingen
door Bach
is denk ik de Matthäus Passion
de bekendste in Nederland.
Rond Pasen vind je
bijna overal
een uitvoering
vanh deze Passion
Maar in deze post
wil ik licht laten schijnen
op zijn Johannes Passion.
Want die begint
niet klein en ingetogen
zoal de Matthäus Passion,
maar heel groots
en bijna overweldigend.
Glorieus zelfs.

En dat is geen toeval.

Bach volgt hier namelijk
het spoor van het Evangelie van Johannes.
Dat evangelie begint met
“In het begin…”
een directe echo van Genesis.
Daar zie je eerst de schepping,
met als hoogtepunt de mens,
en daarna… rust.
De zevende dag.
En precies dat patroon
zie je ook terug
bij Johannes én bij Bach:
eerst glorie, dan rust.

Alleen zit er een verschil.
Genesis vertelt een mooie, goede wereld.
Johannes laat een wereld zien
die ontspoord is.
Macht, angst, geweld;
het zit overal.
En toch zegt Johannes:
kijk goed,
want juist hier gebeurt iets groots.
Hier wordt overwinning behaald.

Dat is wennen.
Want eerlijk:
een proces vol spot, mishandeling
en uiteindelijk een kruis…
dat voelt niet als glorie.
Eerder als het tegenovergestelde.
Maar Bach zegt eigenlijk:
luister nou gewoon.
Ik laat je horen hoe dat tóch klopt.

Neem het begin: “Herr, unser Herrscher.”
Alleen al dat woord “Herr” (Heer)
hangt samen met “herrlich” “glorieus”.
Alles ademt: kijk met andere ogen.
Zie wat hier echt gebeurt.

En Bach trekt je er helemaal in.
Je zit niet veilig op afstand,
zoals bij de Matthäus Passion.
Nee, je staat er middenin.
Het ene moment
zing je bij wijze van spreken
nog vrolijk mee,
het volgende moment
zit je ineens
in het kamp van Petrus
die Jezus ontkent.
Of tussen de mensen
die schreeuwen: kruisig hem.

Best confronterend.
Want ergens voel je: dit gaat ook over mij.

Het kantelpunt zit in de aria “Es ist vollbracht”.
Dat klinkt als:
het is voorbij.
Maar precies dat bedoelt Bach niet.
Het is volbracht betekent:
het werk is af.
Klaar.
Missie geslaagd.

En midden in
die verdrietige muziek
breekt ineens iets krachtigs door.
Alsof er een deur openvliegt:
overwinning.
Niet ondanks de dood,
maar erdoorheen.
Dat is de bizarre,
maar ook hoopvolle kern
van het verhaal.

Daarna zakt alles weg in rust. “Ruht wohl.”
Alsof na een lange, zware dag
eindelijk de stilte komt.
Net als na de schepping:
de zevende dag.

Maar Bach laat het daar niet bij.
Hij stelt een vraag.
Eigenlijk heel simpel:
waar sta jij?

Ben je zoals Pontius Pilatus,
die het allemaal ingewikkeld vindt
en z’n handen ervan aftrekt?
Of zoals de menigte,
die meegaat
in de waan van de dag?
Of durf je iets anders?

Want uiteindelijk
botsen hier twee werelden.
De ene waarin macht bepaalt wat waar is.
De andere waarin liefde
en overgave het winnen.

Dat klinkt misschien
groot en ver weg.
Maar Bach
maakt het klein en dichtbij.
Hij laat het je niet alleen begrijpen…
hij laat je het ook voelen.

En misschien
is dat wel
het meest ongemakkelijke van alles:
dat die oude muziek
ineens iets zegt
over hoe wij vandaag leven.

 

Pasen is niet te geloven. Echt niet.

Het is het kernfeest van de kerk,
het hart van het christelijk geloof.
Zonder Pasen geen christendom.
Als je erover begint,
ga je vanzelf zachter praten.
Alsof je op heilige grond staat.

Voor mensen totaal onvoorstelbaar.
Ik hoorde laatst een collega theoloog op Radio 1.
De vraag was simpel:
wat betekenen Goede Vrijdag en Pasen?
Hij zei: “De bottomline?
De dood heeft niet het laatste woord.”
Punt.
En precies op dat moment werd hij onderbroken.
Er was ergens een doelpunt gevallen
op een Nederlands voetbalveld.

Typisch.
De dood overwonnen
en hup,
we schakelen over naar de eredivisie.

Maar hij had gelijk.
Dat is Pasen:
de dood heeft niet het laatste woord.

En tegelijk: het is niet te geloven.
Wie ooit bij een dode heeft gestaan,
weet hoe definitief de dood voelt.
Hoe koud. Hoe stil.
Hoe onomkeerbaar.
Dood is dood.
Ook bij Jezus.
Hij hing daar, zichtbaar voor iedereen.
Hij stierf. Hij gaf de geest.
Geen schijnvertoning.
Geen bijna-doodervaring.
Gewoon: gestorven.

En dan dat verhaal
uit het evangelie van Matteüs.
Vrouwen bij het graf. Een aardbeving.
Een engel die de steen wegrolt
en er doodleuk op gaat zitten.
“Wees niet bang.
Hij is niet hier.
Hij is opgestaan.”
Het graf is leeg.

Niet te geloven.

Tenminste, niet als je denkt
dat Pasen betekent
dat Jezus na drie dagen
gewoon weer verderging
waar Hij gebleven was.
Alsof er een pauzeknop was ingedrukt.
Dat is een karikatuur.
Pasen is geen terugspoelen.
Geen weder-opstanding in de zin van:
we pakken de draad weer op.

Door Pasen is alles anders.

De opstanding zelf zien we niet.
Geen camera’s in het graf.
Geen verslaggevers.
Het blijft een mysterie.
Wat we zien, is een leeg graf.
Wat we horen, is een boodschap:
Hij leeft.
En wat we merken in de verhalen:
niemand herkent Hem meteen.
Er is angst.
Twijfel.
Ontzetting.
En steeds weer die woorden:
wees niet bang.

Pasen is geen truc.
Het is een lens.
Je kijkt naar dezelfde wereld
– met oorlog, verlies, ziekte, onrecht –
maar je ziet méér.
Je ziet dat liefde
niet is weggevaagd door geweld.
Dat wat Jezus leefde en verkondigde
niet is geëindigd aan een kruis.

De liefde van God laat zich niet begraven.

De dood heeft niet het laatste woord.
Dat betekent niet dat de dood er niet meer is.
Het betekent dat hij niet beslissend is.
Niet ultiem.
Niet het einde van het verhaal.

En dat verandert alles.

Het bevrijdt je van cynisme.
Van dat harde stemmetje dat zegt:
“Het wordt toch nooit wat.”
Het bevrijdt je
– wonderlijk genoeg –
zelfs van de verlammende angst voor de dood.
Als de dood niet het laatste is,
dan hoef ik niet krampachtig vast te houden.
Dan mag ik leven. Voluit.
Breken en delen.
Liefhebben zonder garantie.

Pasen is niet alleen iets om te geloven.
Het is iets om te doen.

De vrouwen worden weggestuurd bij het graf.
Weg van het verleden.
De wereld in.
“Hij gaat jullie voor.”
Dat is Pasen:
in beweging komen.
Opstandig worden tegen alles wat doods is
tegen onrecht, haat, onverschilligheid.
Omdat je gelooft dat leven sterker is.

“In Christus is een nieuwe schepping,” schrijft Paulus.

Dat is geen theorie.
Dat is een manier van bestaan.
Een nieuwe mens worden.
Hier.
Nu.

Dus ja, Pasen is niet te geloven.

Maar misschien
is dat precies de bedoeling.

Niet dat je het kunt verklaren.
Maar dat je het aandurft.

Te leven want de dood
heeft niet het laatste woord.

Werkelijk niet.

 

Het is sabbat. Stille Zaterdag.

De stad is tot rust gekomen.
Het geschreeuw van gisteren is verstomd.
Het kruis staat er niet meer, het lichaam is begraven.
De steen is voor de ingang gerold.
En dan die ene sobere zin:
“Op de sabbat rustten zij naar het gebod.”

Jezus Christus is gestorven.
Vrijdag klonk zijn laatste woord:
“Het is volbracht.”
Daarna werd het stil.
Jozef van Arimathea vroeg om het lichaam,
wikkelde het in linnen
en legde het in een nieuw graf.
De vrouwen keken toe.
Ze wilden meer doen.
Zorgen. Zalven.
Liefhebben tot het einde.
Maar de zon ging onder.
De sabbat begon.

En dus rustten zij.

Dat voelt bijna ongemakkelijk.
Hoe kun je rusten
als alles in je roept om iets te dóén?
Als je hart gebroken is?
Als je wereld instort?

Toch is dit geen kille gehoorzaamheid.
Het is een vorm van overgave.

Stille Zaterdag is de dag tussen wanhoop en hoop.
Tussen kruis en opstanding.
Een lege, stille ruimte waarin niets lijkt te gebeuren.
God zwijgt.
De hemel blijft dicht.
De leerlingen wachten
verward, verdrietig,
misschien ook bang.

En toch: het is sabbat.

In de Bijbel is sabbat
de dag waarop God
rustte na de schepping.
Niet omdat Hij moe was,
maar omdat het werk voltooid was.
Alles was gedaan.
Het was goed.
Die rust was geen leegte,
maar vervulling.

Zo ligt nu ook Jezus in het graf.
Zijn werk is volbracht.
Wat vrijdag werd uitgeroepen,
wordt op zaterdag bewaard in stilte.
De rust van deze dag zegt:
het is echt klaar.
Er hoeft niets meer bij.

Dat is moeilijk voor mensen zoals wij.
Wij willen iets doen
al is het maar
om onze onmacht te verdrijven.
Wij willen zorgen,
regelen, begrijpen.
Maar Stille Zaterdag
leert ons wachten.
Vertrouwen.
Rusten.

Niet uit onverschilligheid,
maar in geloof.

De vrouwen rusten “naar het gebod”.
Dat gebod was ooit gegeven
als een geschenk:
één dag om niet te leven
van je eigen inspanning,
maar van Gods trouw.
Eén dag om te ontvangen
in plaats van te presteren.

Misschien is dat vandaag
nog steeds de uitnodiging.

Er zijn momenten in een mensenleven
die lijken op Stille Zaterdag.
Gebeden die niet verder lijken te komen
dan het plafond.
Beloften lijken begraven.
Je staat bij een graf
— letterlijk of figuurlijk —
en weet niet hoe het verder moet.

En dan zegt deze dag niet:
begrijp het.
Ook niet: los het op.

Deze dag zegt: rust.

Rust in wat Hij heeft gedaan,
ook als je het nog niet ziet.
Rusten in Gods trouw,
ook als alles zwijgt.
Rusten,
omdat het werk
niet op jouw schouders ligt.

Stille Zaterdag is geen dag van grote woorden.
Het is een dag van stille hoop.
De hoop die nog geen bewijs heeft,
maar wel een belofte.

De steen ligt nog voor het graf.
De nacht is nog niet voorbij.

Maar onder de stilte klopt het volbrachte werk van Christus.
En wie bij Hem hoort,
mag — midden in het wachten — rusten.

Morgen is het Pasen.
De nieuwe morgen komt!

 

Het was maar een heuvel buiten de stad.
Een executieplek.
Zo’n plaats waar je liever
met een boog omheen loopt.
En toch…
wat daar gebeurde op Golgotha
heeft de wereld doormidden gesneden.

Zie je het voor je?
Die dag voelde niet als een kantelpunt.
Geen engelenkoren.
Geen applaus uit de hemel.
Gewoon stof, zweet, bloed.
Soldaten die hun werk doen.
Omstanders die grappen maken.
Religieuze leiders die tevreden knikken.
En ergens daarboven,
vastgespijkerd tussen hemel en aarde: Jezus.

De aarde wilde Hem niet meer.
De hemel leek stil.
Hij hing daar in het niemandsland.
Dat is wat een kruis doet.
Het is niet alleen een martelwerktuig.
Het is een statement:
jij telt niet meer mee.
Jij bent afgeschreven.
Door mensen.
En, zo voelt het althans, ook door God.

En toch.

Terwijl de hamerslagen nog naklinken,
bidt Hij.
Niet om wraak.
Niet om vuur uit de hemel.
Hij zegt: Vader, vergeef het hun,
want ze weten niet wat ze doen.

Dat is geen zwakte. Dát is koningschap.

Op die heuvel leek de duisternis te winnen.
De massa heeft geschreeuwd.
Pilatus heeft zijn handen gewassen.
Barabbas loopt vrij rond.
Jezus hangt vast.
Als je er met menselijke ogen naar kijkt,
is dit het failliet van hoop.

Maar luister naar Zijn woorden.
Daar, midden in de vernedering, regeert Hij.
Niet met geweld, maar met genade.
Niet door Zijn vijanden neer te slaan,
maar door voor hen te bidden.

‘Ze weten niet wat ze doen.’

Echt niet?
Die soldaten wisten precies
hoe je iemand moest kruisigen.
De leiders wisten precies
wat ze wilden:
van Hem af.
De menigte wist precies
hoe je iemand kapot schreeuwt.

En toch zegt Hij: ze weten het niet.

Ze weten niet Wie Ik ben.
Ze weten niet wat hier gebeurt.
Ze weten niet dat ze,
terwijl ze Mij afwijzen, gered worden.

Dat is het schurende van Goede Vrijdag.
Want laten we eerlijk zijn:
wij weten vaak ook niet wat we doen.
We kiezen voor onszelf.
We lopen God voorbij.
We praten goed wat krom is.
We noemen duisternis nuance.

En ondertussen bidt Hij.

Niet pas nadat wij berouw tonen.
Niet pas nadat wij het snappen.
Nee, terwijl wij nog bezig zijn
met onze eigen hamerslagen.
Dat is wat Paulus later schrijft in de Romeinenbrief:
toen wij nog zondaars waren,
stierf Christus voor ons.

Dat is genade die je uit het veld slaat.

Wij denken vaak:
eerst inzicht, dan vergeving.
Eerst schoon schip maken,
dan mag je thuiskomen.
Maar aan dat kruis
wordt de volgorde omgedraaid.
Daar klinkt vergeving
vóórdat iemand ‘sorry’ zegt.

Dat voelt bijna te makkelijk.
Te royaal. Te riskant.

Maar kijk naar die misdadiger naast Hem.
Een man met bloed aan zijn handen.
Geen tijd meer om zijn leven te beteren.
Geen kans om iets goed te maken.
En Jezus zegt:
vandaag nog zul je met Mij in het paradijs zijn.

Hoe dan?

Omdat vergeving niet rust op onze prestatie,
maar op Zijn overgave.
Omdat er iets rechtgezet moest worden
tussen God en ons
en wij dat niet konden.
Dus deed Hij het.

Daarom is het kruis niet het einde
van een tragisch verhaal,
maar het begin van een uittocht.
Uit de greep van schuld.
Uit de macht van zonde.
Uit de leugen
dat jij voorgoed bent afgeschreven.

“Het is volbracht.”

Dat is geen zucht van nederlaag.
Dat is de adem van overwinning.

En dan, als alles gezegd is,
legt Hij Zijn leven terug
in de handen van Zijn Vader.
Alsof Hij wil zeggen:
het is goed zo. De weg is open.

Dus ja,
het was een donkere dag op Golgotha.
Maar het was ook de dag
waarop de liefde het laatste woord kreeg.

En dat woord klinkt nog steeds.

Voor hen.
Voor jou.
Voor mij.

 

Bij voorbaat verontschuldig ik dat nu alvast
een beetje op de zaken vooruitloop,
maar ik wil graag iets zeggen over de Opstanding van Christus.
We zijn nog maar net begonnen aan het Triduüm, de drie dagen voor Pasen
en her en der horen we dan:
‘Als we niet met Hem sterven op Goede Vrijdag,
kunnen we niet met Hem opstaan op Paasmorgen.’

Maar een deel van het probleem dat deze zin oproept,
is dat we niet zozeer Goede Vrijdag overslaan,
maar Paasmorgen.
In onze vastberadenheid om ons te concentreren op het lijden van Christus,
kan Pasen misschien een vreugdevolle preek zijn, een prachtige uitroep:
‘Hij is opgestaan!’
en dan gaan we weer verder.

Dus als het om wonderen gaat,
is het maar al te vaak het Grote Wonder
waar we onze aandacht van afwenden.
En we kunnen het zelfs helemaal overslaan.

Net als de omvang van het heelal
is Pasen bijna te groot voor ons menselijk verstand om te bevatten.
Dus beperken we ons tot het opdreunen van feiten en overtuigingen.
Zoiets van:
‘Ons heelal is 13 miljard lichtjaar breed
en is letterlijk uit het niets ontstaan.
Jezus Christus stond op uit de dood
en verscheen aan zijn discipelen.’
Feiten, maar we kunnen er met ons verstand niet bij…
Dus maar weer door!

Onder de gelovigen heerst er een reële angst voor de opstanding.
Niet zoals de Bijbel spreekt over de vrees voor God,
maar een veel fundamentelere angst
van bijvoorbeeld het schoolkind dat iets niet goed lijkt te begrijpen.
Het is alsof we moeten geloven, maar het niet kunnen,
met een vleugje van die vreselijke angst
zoals zij die zeggen dat – net als bij Donald Trump –
je het niet letterlijk maar serieus moeten nemen,
misschien wel gelijk hebben.

Het is de angst voor de gapende kloof
tussen de letterlijke waarheid (in het Grieks: logos)
en de metaforische of allegorische waarheid (mythos).
En het is alsof we gedwongen worden een keuze te maken
die we, in in alle gemoede, niet kunnen.
Als zodanig wordt het wat Paulus een struikelblok zou noemen,
iets dat in de weg staat in plaats van verlicht.
En het is er een die we stilletjes negeren.

Ik denk dat ik wil zeggen dat we bevrijd moeten worden
van de zorg dat er een juiste manier is om het te interpreteren,
of dat er een keuze moet worden gemaakt
tussen letterlijke en metaforische waarheid.
Met de gebeurtenissen van Paasmorgen
wordt ons een en/en-antwoord aangeboden in plaats van een of/of-keuze.

In dit model is historiciteit nuttig, maar onvoldoende.
We weten als een historisch feit dat Jezus van Nazareth
door de Romeinse autoriteiten werd gekruisigd
en we kunnen, in historische termen,
zeer redelijkerwijs aannemen dat een van zijn discipelen,
een vrouw uit Magdala, Maria genaamd,
na de Joodse sabbat naar zijn graf ging en het leeg aantrof.

Daarna wordt de ervaring van de Opstanding moeilijker,
zo niet onmogelijk, te beschrijven.
Niet alleen voor ons, maar vooral voor de eerste getuigen ervan.
Dat is deels de reden
waarom deze evangelietekst
op een manier is geschreven die anders is
dan alle andere, adembenemender,
persoonlijker, anekdotischer en meer ervaringsgericht.
Het is alsof de opstandige Jezusbeweging voor het eerst in kleur ziet.

Als we overigens op zoek zijn naar een wonder, dan is dit het.
Wat er ook is gebeurd, de totale nederlaag en verstrooiing
van deze kleine, provinciale groep rebellen
in dood en wanhoop
is binnen drie dagen onomkeerbaar veranderd.
De moderne term voor dit fenomeen zou kunnen zijn:
‘Stel je voor’.

Maar we moeten onze ogen niet afwenden
van minder gemakkelijke verschijnselen,
bewijs dat niet alleen metaforisch of allegorisch is,
maar ook ronduit werelds en gemotiveerd door opportunisme.
Het is niet controversieel om op te merken
dat er een verschil is tussen de verhalen over het lege graf
en de verschijningen van de verrezen Christus,
waarbij de laatste deels voortkwamen
uit concurrerende partijen om patriarchale autoriteit,
bij de vroegste vorming van de Kerk.

Het lege graf is niet alleen een bewijs van de verrezen Christus.
Het is er om ons symbolisch te laten zien
waar God niet is.
In het evangelie van Johannes ziet Maria engelen zitten
aan het hoofdeinde en voeteneinde van de steen
waarop het lichaam lag,
een weerspiegeling van het verzoendeksel
van de ark van het verbond,
de lege troon van de onzichtbare Joodse God.
Christus is ‘vooruitgegaan’
om het levende werk van God
in zijn ontluikende Kerk van het nieuwe verbond
voort te zetten.

Bovenal roept deze dualistische benadering van de opstanding
de toeschouwers op om er ontspannen mee om te gaan,
om ons begrip ervan los te laten.
De woorden en daden van de verrezen Christus
lijken dit vaak te bevestigen:
‘Houd mij niet vast’,
‘Sjalom’ (vrede zij met u),
‘Kom en eet’,
‘Voed mijn lammeren’.

Dus worstelen met het begrijpen van de opstanding
is geen breekpunt.
In zekere zin is de Goddelijke boodschap
dat het allergrootste wonder niet zo bijzonder is.
Het leven gaat echt door.

Als zij zouden zwijgen, zouden de stenen het uitschreeuwen.

 

In deze dagen van de Goede Week
lopen wij als het ware mee,
de weg op van Betanië naar Jeruzalem.
We zien Jezus Christus gaan,
omringd door zijn leerlingen.
Er hangt iets in de lucht.
Verwachting. Hoop.
En misschien ook wel verwarring.

Hij kiest een ezelsveulen.
Geen strijdros,
geen vertoon van macht.
Maar eenvoud. Nederigheid.
En toch:
een koninklijk teken,
zoals de profeet ooit beloofde.
Een koning die anders is dan verwacht.

De mensen langs de weg begrijpen er iets van.
Ze leggen hun mantels neer.
Ze zwaaien met takken.
Ze roepen: “Hosanna – Heer, red ons.”
Hun stemmen vullen de lucht.
Hun hoop krijgt woorden.

En dan die opmerking van Jezus,
bijna achteloos, maar zo veelzeggend:
Als zij zouden zwijgen,
zouden de stenen het uitschreeuwen.

Stenen die roepen.

In de traditie van vandaag
denken we misschien aan struikelstenen – stolpersteine.
Kleine stenen in de weg,
die je even uit je pas halen.
Stenen die herinneren.
Die je dwingen
om niet gedachteloos door te lopen.

Zo liggen er ook stenen
op onze weg naar Pasen.

Stenen van teleurstelling.
Stenen van twijfel.
Stenen van niet-begrijpen
waarom God anders handelt
dan wij hopen.

De mensen die “Hosanna” roepen,
zullen een paar dagen later zwijgen.
Of erger:
ze zullen roepen om het tegenovergestelde.
Hun verwachting
van een machtige koning
botst met de werkelijkheid
van een lijdende Messias.

En is dat niet herkenbaar?

Ook wij struikelen.
Over ons eigen beeld van God.
Over wat wij denken
dat Hij zou moeten doen.
Over gebeden
die anders verhoord worden
dan wij willen.

De Veertigdagentijd is een weg.
Geen rechte, gladde weg,
maar een pad vol stenen.
Geen obstakels om te vermijden,
maar tekens om bij stil te staan.

Elke struikelsteen kan een uitnodiging zijn.

Om langzamer te gaan.
Om beter te kijken.
Om opnieuw te luisteren.

Misschien roepen die stenen nog steeds.
Niet luid en oorverdovend,
maar zacht en aandringend:
“Kijk naar Hem.”
“Volg Hem.”
“Blijf niet staan bij wat je verwachtte,
maar ga mee in wat komt.”

Want de weg van Jezus Christus
loopt niet alleen
naar Jeruzalem,
maar naar het kruis.
En voorbij het kruis, naar nieuw leven.

Dat zien we nu nog niet volledig.
Net als de mensen toen.

Maar juist daarom klinkt in deze week
die oude roep opnieuw:
“Hosanna – Heer, red ons.”

Niet omdat wij alles begrijpen.
Maar omdat wij Hem willen volgen.

Misschien is dat
wel de opdracht van deze dagen:
niet om zonder struikelen te lopen,
maar om, struikelend en wel,
toch verder te gaan achter Hem aan.

‘Jezus huilde’

 

Halverwege de Olijfberg,
met uitzicht over Jeruzalem,
staat een klein kerkje.
Het heet Dominus Flevit
dat betekent:
de Heer weende.
Het gebouw heeft zelfs de vorm van een traan.
En als je daar staat,
terwijl beneden het verkeer gewoon doorraast, voel je:
dit is een plek om even stil te worden.

Want hier denken we aan
dat ene, aangrijpende moment:
Jezus die huilt.

Dat zijn we misschien niet zo gewend.
We zien Hem eerder
als degene die binnengehaald wordt
met gejuich.
Mensen roepen: “Hosanna!”
Ze zwaaien, ze juichen,
ze verwachten iets groots.
Eindelijk komt er verandering.
Eindelijk komt er vrede.
Eindelijk een koning die alles rechtzet.

Jezus rijdt op een ezel de stad binnen.
Geen strijdpaard,
maar een teken van vrede.
Hij komt als Koning van de vrede,
als Brenger van echte shalom.
De mensen hopen
op bevrijding van de Romeinen.
Op een nieuw begin.

Maar terwijl iedereen juicht… huilt Jezus.

Waarom?
Omdat Hij ziet wat anderen niet zien.
Hij kijkt verder dan het moment.
Hij ziet niet alleen de stad
zoals die nu is,
maar ook wat er gaat gebeuren.
Hij weet dat zijn weg
niet eindigt op een troon,
maar aan een kruis.

Hij weet dat dezelfde mensen
die nu roepen “Hosanna”,
straks misschien zullen roepen:
“Kruisig Hem.”

En dat breekt zijn hart.

Zijn tranen komen niet voort
uit zwakte,
maar uit liefde.
Diepe, intense liefde.
Liefde voor de stad.
Liefde voor de mensen.
Liefde die ziet
dat mensen
zo dicht bij vrede kunnen zijn…
en het toch missen.

“Als je toch eens wist wat je vrede brengt…”
zegt Hij.

Dat is de pijn.
Niet dat God ver weg is.
Maar dat mensen
Hem niet herkennen
wanneer Hij zo dichtbij komt.
Dat ze hun eigen verwachtingen volgen,
hun eigen ideeën,
en daardoor
voorbijgaan aan wat God werkelijk doet.

En eerlijk? Dat raakt ook ons.

Want hoe vaak gebeurt
dat niet in ons eigen leven?
Dat God dichtbij komt
— in een moment, in een woord, in een ontmoeting —
en dat we het niet doorhebben.
Dat we zo druk zijn,
zo vol van onze eigen plannen,
dat we missen wat er echt toe doet.

Jezus huilt
niet alleen over Jeruzalem toen.
Zijn hart is nog steeds bewogen.
Ook om ons.
Niet uit verwijt, maar uit verlangen.
Verlangen dat we zien.
Dat we herkennen.
Dat we ons openen voor zijn vrede.

En dat is precies de uitnodiging
voor deze dinsdag in de Goede Week.

Sta even stil.
Al is het maar een paar minuten.
Tussen alles wat doorgaat in jouw leven.
Leg je telefoon weg.
Adem even rustig.
En vraag jezelf:
zie ik waar God
vandaag naar mij omziet?

Want dat doet Hij. Echt.

Misschien heel klein. Heel stil.
Maar wel echt.

En het mooie is:
zijn tranen zijn geen eindpunt.
Ze zijn een begin.
Een teken dat zijn liefde niet opgeeft.
Dat Hij blijft zoeken.
Blijft roepen.
Blijft uitnodigen.

Misschien is vandaag wel zo’n moment.
Dat je het wél ziet.

En dat je Zijn vrede binnenlaat.

‘de hand van hem, die Mij verraadt, is met Mij aan de tafel’

 

Handen vertellen eigenlijk precies wie je bent.
Denk maar eens aan je eigen handen.
Wat hebben ze allemaal al gedaan, vastgehouden,
misschien ook losgelaten?
De kleine handjes van een pasgeboren baby
zijn totaal anders
dan de handen van een oudere,
soms vol rimpels en levensverhalen.
De handen van iemand die studeert
zien er anders uit
dan die van een boer
die elke dag vroeg opstaat om te werken.
Je handen verraden iets van je leven.
Van wat je doet.
Maar ook van wat je drijft, diep vanbinnen.

In deze week, de Goede Week,
worden we uitgenodigd
om eens te kijken naar handen.
Vooral naar de handen rondom Jezus.
Op die laatste avond, aan tafel,
gebeurt er iets bijzonders.
Daar raken twee handen elkaar.

De ene hand is de hand van Jezus.
Het is een hand die zoveel goed heeft gedaan.
Een hand die brood brak
en vermenigvuldigde
zodat niemand honger
hoefde te hebben.
Een hand die kinderen optilde en hen zegende.
Een hand die zieken aanraakte
en mensen weer hoop gaf.
Een hand die zelfs
een gestorven meisje
weer tot leven riep.
Maar ook:
een hand die knielde
om de voeten
van zijn leerlingen te wassen.
Een dienende hand.
Een liefdevolle hand.

En dan is daar die andere hand.
De hand van Judas.
Ook hij hoorde erbij.
Ook hij was een leerling, een volgeling.
Iemand die dichtbij Jezus leefde.
Maar zijn hand vertelt een ander verhaal.
Het is de hand van verraad.
De hand die geld aannam
om Jezus uit te leveren.
Alsof er nog iets kleeft aan die hand,
iets van schuld, van verkeerde keuzes.

En toch…
die twee handen raken elkaar.
Gewoon, aan dezelfde tafel.
In dezelfde schaal.
Liefde en verraad zo dicht bij elkaar.
Dat is confronterend.
Want als we eerlijk zijn,
herkennen we daar misschien
ook wel iets van onszelf in.
We willen het goede,
maar we maken ook fouten.
Soms zijn onze handen open en gevend…
en soms sluiten ze zich of grijpen ze mis.

Maar kijk nog eens beter.
Want er is nog een derde hand.
Niet zo zichtbaar,
een beetje op de achtergrond.
De hand van God, de Vader.
Hij is niet afwezig.
Integendeel.
Midden in alles wat er gebeurt
— in alle chaos, alle keuzes van mensen —
is Hij aanwezig.
Stil, maar zeker.

In deze week komen er zoveel mensen voorbij.
Judas, Petrus, Pilatus, soldaten, vrouwen, vrienden…
allemaal met hun eigen handen, hun eigen rol.
En toch loopt er één lijn door alles heen:
God houdt vast.
Hij laat niet los.

Uiteindelijk is er dat moment waarop Jezus zelf zegt:
“Vader, in Uw handen leg Ik mijn leven.”
Dat is geen nederlaag.
Dat is vertrouwen.
Diep vertrouwen.

En misschien is dat wel de uitnodiging voor vandaag.
Om ook jouw leven, jouw handen
— met alles wat daarin zit —
in Gods hand te leggen.
Met je goede momenten,
maar ook met je fouten en je vragen.

Want waar jouw handen soms tekortschieten,
blijft Gods hand trouw.
En dat is hoopvol.

Zeker in deze week.